De ingewikkelde oorlog van Angola

Deel acht in de serie over hoe mijn leven in De Tropen mij definitief veranderd heeft. Nu over oorlog en vluchtelingen.

Ik heb drie jaar in Angola gewoond en gewerkt, en dat was toen een oorlogsland. Een gore oorlog met een miljoen doden die tientallen jaren heeft geduurd. Ik werkte voor Care en mijn taak was om vluchtelingenkampen van drinkwater te voorzien. Ik schat dat in die kampen in mijn gebied 500.000 Angolese vluchtelingen woonden.

De herinneringen schieten weer door me heen. Zo snel kan ik niet typen hoor. En dit wordt lastig, want ik heb hier een trauma aan overgehouden, dus dan begin ik te zweten en trillen en dan is de fijne dag voorbij.

Herinneringen aan een kapotgeschoten stadje met 240.000 vluchtelingen, vooral vrouwen en kinderen, zonder enige steun, bijstand, uitkering, basisinkomen. Geen mogelijkheid tot moestuintje of bedrijfje. En in diezelfde plaats een tientalduizend militairen die de waterkrachtcentrale verdedigden, vooral mannen ja. Waar zouden die vrouwen van leven?

Herinneringen aan een boom met lange takken en veel schaduw waaronder een paar honderd vluchtelingen zich verzameld hadden. Ze hadden de overkant bereikt, langs mijnenvelden en door ongastvrije bossen. Ze hadden onderweg familieleden verloren, maar zij hadden het gehaald. Moeders zaten te zitten. Kinderen keken met lege ogen voor zich uit. Ik zorg dat er vrachtwagens met water heen en weer gingen rijden.

Herinneringen aan een lange colonne vrachtwagens en terreinwagens, van die luxe waarvan hier wordt gezegd dat het schandalig is dat we erin rijden, wat een luxepaarden zijn wij toch, uren en uren en uren , was het twee of drie dagen? Stapvoets rijden achter de mijnenveger aan op weg naar een stad die bevrijd zou zijn. Uitstappen was eng, want buiten de breedte van de mijnenveger moet je niet komen. Dus als ik naar de wc moest (en ik ben ook maar een mens), plasje of poepje, kon ik of achter de auto gaan zitten zodat niet mijn eigen mensen me zagen maar wel die in de wagen achter ons, of voor onze auto. Ik koos altijd voor het eerste, en dat deed iedereen en daar had je het dus nooit over. Ik heb heel wat VIPs op de grond zien zitten poepen. En zij mij.

Wat was dat ook al weer voor een oorlog? In elk geval niet de mijne, en ik vroeg mezelf vaak af wat ik daar deed. Liever was ik bij mijn gezin, lekker spelen en knutselen met mijn drie Zoons. Maar ik had een baan ver weg in oorlogsland. Waar ik 150% van een goed salaris voor kreeg vanwege het hoge risico. Waarom deed ik dit?

Op zulke tochten werd me vaak uitgelegd hoe ingewikkeld die oorlog was. Ik begreep het nooit, en wilde het ook niet begrijpen. Het was in mijn ogen een onzinoorlog tussen twee volken die hetzelfde land deelden. Tussen twee mannen die allebei president wilden zijn. en die ene was het en die andere niet. Twee mannen, de ander (Savimbi) met tientallen vrouwen en nog veel meer kinderen, en de een, de echte president (Dos Santos), een van de rijkste mannen in Afrika. Onder andere omdat BP hem voor oliesuccessierechten elke dag een miljoen dollar toeschoof.

De ene, ‘onze’, kant had olie, de andere kant had goud en diamanten. Zoveel diamanten, dat een serveerster ergens in een restaurantje in een dorp ergens onderweg ver van de wereld me een zak liet zien die ze had meegenomen op haar tocht naar onze veilige kant. Dat zijn de enige zeker-echte diamanten die ik ooit in mijn leven heb gezien. Het moeten er tientallen geweest zijn, het was een jutezakje vol. Ze kon er niets mee, iedereen had diamanten zei ze.

Eieren niet, die had niemand meer, die werden geïmporteerd uit Namibië, tien uur rijden verderop, want de kippen waren opgegeten. Wilde dieren waren er ook niet meer, allemaal op. We leefden op mais, tomaten, uien en groene blaadjes die we manmoedig spinazie noemden. Rond het politiebureau lagen mijnen, want prikkeldraad was ook op. Ook telefoonpalen en elektriciteitspalen waren ommijnd. En overheidsgebouwen, waterkrachtcentrales, alles eigenlijk. Glas was er ook niet, huizen hadden geen ruiten meer, ook mijn kantoor de eerste maanden niet. Het luchtte lekker door.

Ongelimiteerd geld voor een gore oorlog. Maar normale dingen, niets. Alles was stuk, op, kapotgeschoten.

Zo nu en dan was er in de stad waar ik woonde met mijn gezin een razzia. Dan reed er een vrachtwagen door de armere wijken en die pakte alles op wat jong en mannelijk was en twee armen en benen had. De vrachtwagen recruteerde soms voor de ene, soms voor de andere kant. De opgepakten werden soldaat voor een van beide kanten en met hun leven was het gedaan. Ze kwamen terug na hun diensttijd van meen ik 12 jaar of als ze een been eraf hadden, dan werden ze bedelaar. Daarvan zaten er duizenden in het centrum op de grond. Een collega had inderdaad zijn hele diensttijd uitgezeten, maar had geen stoere verhalen daarover zoals oudere mannen hier. Lege ogen, traumas, verdriet.

Op een dag was de andere man, Savimbi dus, dood. De volgende dag lag er een staakt het vuren. Niets geen ingewikkelde oorlog, gewoon twee jaloerse mannen die een miljoen doden op hun geweten hebben.

 

Off the grid leven: eitje waar geen grid is

Stroomstoringen! Hier halen ze de krant “Twee wijken van de gemeente W hebben drie kwartier zonder stroom gezeten. Mensen waren bang voor hun etenswaren in de diepvries. Experts schatten de economische schade op 3 miljoen.” Zoiets.

Omdat stroomstoringen in Afrika behoren bij het dagelijkse leven, zagen we stroom niet als basisbehoefte maar als fijn luxeding als het er was. Zoiets als een jacuzzi hier: heerlijk als het er is, maar je kunt zonder.

Mijn huishouden had ik, na jaren ervaring met stroomstoringen, volledig off-the-grid ingericht. Als er een stroomstoring was, ging het leven door. Was dat overdag, merkten we het niet eens.

We hadden zeven grote olielampen, met van die prachtige glazen kappen erboven. Hier misschien wel te koop in wooninrichtingswinkels als romantisch vintage snuisterij op de vensterbank, maar gebruiken ho maar. We hadden ook lampen op elektriciteit, maar enkele cruciaal geplaatste olielampen gingen sowieso aan: in het donker is het heel lastig om een lamp te vinden en aan te steken. Vooral omdat de lucifers er niet naast lagen en ook nooit op de plek waar ze wel moesten liggen.

Mijn Singer naaimachine had ook geen stroom nodig. In periodes zonder stroom konden we gewoon doorgaan met kleren naaien en repareren, terwijl de computer allang was uitgevallen. Ook ons personeel en mijn kinderen gebruikten die machine dagelijks. Overigens vertelde een Singerman mij eens dat dit model, zo’n zwarte met van die prachtige koperen versieringen, nog altijd het meest verkochte model is. Dat verbaast me niet, want heel India, China, rest van Azië en Afrika staat vol met dit model. Meestal aangedreven met de voeten, prachtig en vooral zo handig waar geen stroom is. En loeisterk, zonder probleem naai je er dikke jeans mee aan elkaar.

In Angola viel een elektriciteitspaal om en het duurde 6 maanden voor die weer overeind stond. Zoon123 herinneren zich er niets van, hebben er niets van gemerkt want ons leven ging gewoon door.

Kennis had een elektrische vleesmolen, ik een handvleesmolen. Zij had een elektrische naaimachine, ik een handmachine. Zij kookte elektrisch, wij op gasflessen. Zij had elektrische keukenapparatuur in Nederland gekocht en ik had alles ter plekke gekocht dus niet elektrisch. Niet dat ik nu zo geweldig ben, maar ik was inmiddels een jaar of 12 zo bezig, en voor haar was het een eenmalig contract van 2 jaar en dan weer terug naar huis. Nog steeds gebruik ik mijn handmixer en heb ik geen koffiezetapparaat. De naaimachine en vleesmolen heb ik daar achtergelaten, helaas helaas. De frietpan heb ik nog wel, zwart met een inzetmandje.

Waar heb je nog meer stroom voor nodig? De TV bleef uit bij een stroomstoring. De computer stopte met werken en wij dus ook: we hadden een accusysteem waardoor we nog net alles konden opslaan en daarna ging hij uit. Bezoekers van het Hoofdkantoor (Europa, VS), werden dan helemaal gek, want ze moesten nog dit en dat had een deadline en het maandrapport moest echt de deur uit, maar jammer dan. De koelkast werd langzaam warm dus aten we in zo’n geval snel de diepvries leeg. Die uiteraard nooit zo vol was, want we hielden rekening met stroomstoringen he. Ooh warm water, misschien heb ik dat wel het meest gemist, een warme douche in de ochtend. Maar goed, daarvoor heb je ook stromend water nodig….

What else? Off-the-grid leven, eitje als er geen stroom is.

 

 

Politieke correctheid in Bolivia

In Bolivia werkte ik voor de FAO (de landbouworganisatie van de VN) in een project dat boeren hielp om hun oogst beter op te slaan. Wow, dat was nuttig! Maar helaas politiek incorrect voor mijn landgenoten daar.

Ik werkte met Bolivianen die hun boerderij op de Altiplano (de streek van La Paz, Potosí en de zoutvlaktes) hadden verlaten en op zoek waren gegaan naar betere bestaansmogelijkheden in het wilde oosten van Bolivia: de Amazone. De Altiplano is aan het verzouten. De zoutvlaktes zijn prachtige toeristische trekpleisters, ongelooflijk mooi, de meest bizarre plekken op aarde die ik ooit gezien heb, maar er groeit niets. Ook de landbouwgebieden op de Altiplano verzouten, niet zo sterk als die zoutmeren, maar sterk genoeg om gewassen te killen.

Dus trokken boerenfamilies vanuit de hooglanden naar de Amazone. Ze daalden 4000 meter af en begonnen opnieuw. Ze hakten een stukje bos om van 10 bij 10 meter, met het omgehakte hout maakten ze een onderdak voor zichzelf en hun kinderen en ze planten hun meegebrachte aardappelen en mais. Vanaf de Grote Weg begonnen ze, allemaal naast elkaar, te ontginnen, net zoals Nederlanders in de veengebieden vroeger, en elke maand was die weg weer enkele honderden meters langer. De hutjes aan het begin van de weg werden snel iets waterdichter en er kwamen krukjes en bedden bij, maar het bleef armoe armoe.

Nou, daar in die Amazone kon je je duim in de grond steken en er kwamen wel blaadjes aan. Die aardappelen en mais en wat ze nog meer planten, groeiden als kool. Wow, deze hardwerkende boeren, gewend aan ploeteren in de kou op zoute grond, wisten niet wat hen overkwam. Ze waren in het paradijs beland.

Dat vonden de muizen en insecten ook. In het koude hoogland had je geen muizen, geen insecten, geen niets. Maar daar in de warme vochtige tropische Amazone kwam de hele Ark van Noach voor. In het hoogland groeven boeren een kuil en bewaarden daar de aardappelen in. In de Amazone deden ze dat ook, en weg aardappelen. Opgegeten door muizen en insecten of verteerd door vocht en schimmels.

Goed, oogstverliezen dus. De boeren schatten dat tot 90% van hun oogst werd opgevreten door vocht, schimmels, insecten en muizen. Dus moesten ze tien keer zoveel verbouwen als voorheen. Steeds nieuwe stukjes Amazone omhakken. En daar kwam mijn project in beeld.

We introduceerden systemen die in andere vochtige warme gebieden gemeengoed waren, maar die deze hooglandboeren niet kenden. Ze waren leergierig en dronken de informatie op. En zo verminderden we de oogstverliezen bij boeren die de Amazone aan het omhakken waren. Met chemicaliën (gastabletten) in lege oliedrums, heel slecht allemaal, maar al die leuke alternatieve opslagmethodes (met leem, stro en hout) die in droge gebieden zo romantisch ogen, werken niet in deze vochtige hitte.

Tja, dat gaf op avondjes met Nederlanders die voor een zusterorganisatie werkten verhitte gesprekken. Ik heb daar geleerd hoe gemakkelijk het is anderen te veroordelen. Te roepen zonder een alternatief te bieden. Wat ik deed was in Nederland politiek incorrect, want je mocht mensen die de Amazone omhakten niet steunen. Deze boeren moesten terug naar hun eigen verwoeste hoogland, dan zou onze zusterorganisatie daar wel met een projectje ter leringhe ende verheffing komen. Je mocht ook geen chemicaliën propageren.

Dat wij superresultaten haalden met methodes die de boeren enthousiast direct overnamen, zodat hun oogstverliezen tot bijna nul daalden en ze dus veel minder Amazone hoefden om te hakken, was geen geldig argument bij de zusterorganisatie.

Ik vond deze discussies niet leuk, en ging minder en minder naar feestjes van Nederlanders met hun opgestoken vingertjes. Ik vind dilemma’s interessant en ik doe graag mee met het uitdenken van de grens tussen wat wel en wat niet. Maar discussie was onmogelijk: mijn project was fout, hun project was goed. Gemakkelijk hoor.

Dat de Altiplano verzoutte was niet de schuld van de boeren, maar ze leefden wel met de ellendige gevolgen daarvan en is het dan aanvaardbaar dat ze in de Amazone een nieuwe toekomst zochten? Moet je deze hooglandboeren in hun nieuwe woongebied steunen wetende dat de Amazone de longen zijn van de Aarde? Het ging per boer natuurlijk maar om enkele meters, maar met zijn allen was het best een stuk.  Zijn chemicaliën aanvaardbaar om op een goedkope manier oogst op te slaan in een warm en vochtig gebied als je daarmee de behoefte aan landbouwareaal decimeert? Interessante vragen en dilemma’s maar niet als politieke starheid geen discussie toelaat.

 

 

 

Sprokkelen in Tanzania

Het sprokkelen zat er bij mij al van jongsafaan in. Ik fröbelde en knutselde altijd met mooie papiertjes, lapjes, postzegels en duizenden andere dingen. Mijn kinderkamer was een bewaarplaats van schatten die anderen weggooiden. Een hoarder in de dop!

Maar in Afrika bleek deze aangeboren tic reuze handig en bleek iedereen te sprokkelen.

Onze huishoudster in Tanzania heette Angerina. Ze sprak geen Engels, dus ik leerde al snel goed Swahili. Kennis die me later nooit meer van pas is gekomen. Ngoo is koe, mbwa is hond. Ninataka kununua nyama: ik wil vlees kopen. Moja, mbili, tatu, nne, tano: 1 2 3 4 5. Zonder googelen! 27 jaar oude kennis, die ik daarna nevernooit meer gebruikt heb. Ik heb haar in het Swahili nog leren breien, maar goed, dat is voordoen en nadoen uiteraard. Maar daar hadden we het niet over.

In Mwanza was geen supermarkt of iets dat daarop leek. Ik deed een dag per week boodschappen, (ja een hele dag), en Angerina liet me de winkeltjes zien. Lucifers bij dat ene stalletje: vast een goede kennis van haar, lucifers kon je echt op elke straathoek kopen. Blijkbaar leefden mensen van de verkoop van lucifers, zeep, olie, kaarsen en nog wat van die dingen die ineens op zijn in huis, maar waar je toch echt niet rijk van wordt. Brood bij die bakker. Groenten op de markt, net als bonen, granen, kruiden, aardappelen, rijst. Rijstzoutjes bij die Indische familie. Melk en eieren bij die boer.

Angerina altijd met Zoon1 op haar rug, en maar trots rondlopen met die witte baby met minikrulletjes. Mijn naam daar was Mama Kipara: de moeder van de kale. Zoon1 was niet kaal, maar die witte krulletjes waren wel onzichtbaar. O ja, daar hadden we het ook niet over, mijn herinneringen overstromen weer.

Sommige boodschappen zaten in plastic zakjes die Angerina zorgvuldig uitwaste. We gebruikten ze tot in het oneindige en Angerina nam ze graag mee naar huis. Want plastic zakjes waren schaars, dus daar waren we zuinig op. Lees je het goed: we waren zuinig op plastic zakjes.

Want het meeste wat we kochten was verpakkingsloos. Immers, we deden boodschappen bij boeren zelf, op de markt, bij zelfstandige thuiswerkers zoals die Indische zoutjesmakerfamilie, de bakker. Verpakkingen nam ik zelf mee. Het losse eierbakje uit onze koelkast bleek een schat waarmee we zorgeloos eieren konden halen bij de boer. Voor melk had ik een hoge pan, die Angerina op haar hoofd droeg – terwijl ze Zoon1 op haar rug had gebonden.

Elk zakje, doosje, blikje en wat dan ook bewaarden we en gebruikten we weer. Nooit kwam ik om in teveel van die zooi, integendeel, we hadden altijd tekort, want die gratis verpakkingen gaan niet lang mee.

In alle landen waar ik heb gewoond bleef ik sprokkelen. De plastic bakjes waarin in Colombia paddenstoelen werden verkocht zijn de hele wereld over meeverhuisd, tot ze zo ongeveer waren verteerd. Toen Zoon123 groter werden, kregen we behoefte aan knutselspul en elk papiertje, folietje, doosje, zakje en bakje werd bij ons hergebruikt. Ik maakte zelf hun kleren (in veel tropische landen zijn kinderkleren hopeloos) en gebruikte en hergebruikte elke knoop, rits en stukje elastiek vele malen. Zoons waren dol op merkjes, en zelfs de kleine merkjes die vaak in de hals aan de binnenkant van kleding zit naaide ik op hun bloesjes. Documentmappen maakte ik van oude stevige enveloppen en haakjes die je speciaal voor dit doel in Tanzania kon kopen, waar dus blijkbaar iedereen dit deed. Ik heb ze  nog steeds. Kerstkaarten maakten we van alles dat goud, zilver, rood en groen was en glansde. In Zambia maakten we met de kinderen uit de buurt van tientallen dozen, rolletjes wc-papier manshoge kastelen die we beplakten met vele lagen oude kranten en dan wit schilderden (andere kleuren verf hadden we niet). Op de torens plakten we dopjes, vooral die van afwasmiddel zijn zo mooi, nog steeds vind ik het moeilijk die weg te doen en eerlijk waar, ik heb echt nog een laatje met mooie doppen van afwasmiddelflesjes. Dreft, Aldi, maar vooral de oude van Neutral zijn mooi (niet de nieuwe, die gooi zelfs ik gemakkelijk weg).

Geweldig.

 

 

 

 

Laveren tussen zwart en wit in Zimbabwe

In 1991 woonden we (Ex, Zoon1, ik) in Zimbabwe, in een koloniaal huis in Harare. Een oud vervallen huis met in de zitkamer twee haardstoelen en een glazen salontafel die de eerste dag van ons verblijf stukging toen Ex erop ging zitten. Meubels waren in Zimbabwe nauwelijks te koop, dus onze inrichting was strak en minimalistisch toen die woorden nog niet eens uitgevonden waren. Voor onze slaapkamer kochten we een bed en een klerenkast en Zoon sliep in ons campingbedje. Voor de eetkamer kochten we een tafel met vier stoelen en een buffetkast. In de zitkamer stonden de twee al genoemde stoelen en op het onderstel van de salontafel legden we het deksel van onze spullenkist. Slaapkamer twee en drie waren leeg. De keuken was een koloniaal plaatje.

In de tuin van formaat voetbalveld was een prachtig betegeld oud zwembad met een waterval. Om tuin en zwembad te onderhouden, namen we een tuinman aan. Angela was onze huishoudster. Ze was net zo onervaren als ik, en nu ik dit typ komen er allerlei anekdotes boven. Zoals die keer dat ze alle ruiten van het huis witkalkte want daar zouden ze mooi van gaan glimmen. En daarna hebben zij en ik en de tuinman dagen met van alles en nog wat de ruiten schoon staan krabben. Maar daar wil ik het helemaal niet over hebben, hoe stop ik die stroom herinneringen in mijn hoofd. Verder was er nog een man die huis en haard ’s nachts bewaakte. Dat klinkt allemaal wat overdreven, was het ook, maar zo hielpen we drie gezinnen aan een inkomen.

Ik herinner me ook ineens dat Zoon1 op een dag blij naar buiten liep en verbaasd omhoog keek. He, water, waar kwam dat vandaan. He? Het regende en dat had hij in zijn anderhalfjarig leventje nog niet eerder meegemaakt. Maar daar wou ik het ook niet over hebben. Dat zijn de prachtige ervaringen in het buitenland die het leven zo rijk maken. Onze familieverhalen. Ik zou het over mijn politieke groei hebben. Hadden mijn vorige stukjes daar wel mee te maken? Op het eerste gezicht nauwelijks, maar toch wel: een mens leeft, doet ervaringen op en groeit verder.

Ex en ik vonden het leuk om ons woonland  te leren kennen. We hadden een oude koloniale Ford Taunus met echt houten dasboard en daarmee reisden we rond zodra we een paar dagen vrij hadden. Angela wilde ook wel eens wat van haar land zien en vroeg of ze mee mocht. Als blanken je zwarte huishoudster meenemen op vakantie was toen super politiek incorrect. Maar zij en wij genoten en leefden ons eigen leven.

Het Matope National park, de Victoria Watervallen, het Great Zimbabwe, andere nationale parken en mooie plekjes: we zijn overal samen geweest. Angela zou nooit haar schaarse spaargeld hebben besteed aan busreizen en hotels om natuurparken te zien. Nu had ze de kans en ze greep die.

De oude koloniale hotels in Zimbabwe waren geweldig. Bij onze kamer hoorde standaard een dienstbodenkamer; boven ons bed zat een bel waarmee je zo je dienstbode kon bellen. Het was zo superfout om je dienstbode in die dienstbodekamer te zetten! Bij de receptie durfden ze het niet eens te suggereren, Angela moest er speciaal naar vragen. Ik durfde dat echt niet, dat ging me te ver. Die dienstbodekamers hielden ze geheim  voor Europese toeristen om niet voor koloniale racisten uitgemaakt te worden. Blanke Zimbabweanen namen echt nooit hun dienstbode mee uit angst om voor racist uitgescholden te worden. Het land was net onafhankelijk en de relatie tussen blank en zwart was super delicaat.

Maar Angela was de koningin te rijk. Zij had overal een eigen kamer naast die van ons, waarbij de badkamer gedeeld moest worden met alle andere dienstbodes, die er dus niet waren, met bad, douche, wc en wastafels. Alles was er, ook bijvoorbeeld een wasmachine, strijkplank, schoenpoetsspul. Alles voor het personeel van de gasten. Angela en ik gluurden ernaar zoals je het Paleis van Willem en Maxima zou bekijken.

Het graf van Cecil Rhodes vond ze te ver gaan. Die man was zoiets als Hitler voor ons. Maar ze genoot net als wij van al die andere beroemde hoogtepunten van haar prachtige land. We zijn bij haar ouders op bezoek geweest in een verafgelegen dorp waar de dichtstbijzijnde waterplek, een zandige rivier, drie kwartier lopen was. En drie kwartier terug met een volle emmer op je hoofd. En dan droog aankomen he? Ik heb tijdens onze logeerpartij in dat dorp, waarbij een hut helemaal voor ons speciaal was ingericht met een groot bed en een kastje met Engels servies, geen drup water durven gebruiken uit respect voor de meisjes en vrouwen met hun emmers op hun hoofd. Ex moest geitenballen eten, wat goed zou zijn voor de potentie. Dat ik toen al drie of vier weken in verwachting was, wist ook Angela niet, maar ik denk dat het dorp supertrots was toen Angela al snel thuis kon vertellen dat het geholpen had.

Angela heeft ons veel meer geleerd dan wij haar. Als we onderweg stopten om te eten, had ze binnen vijf minuten een vuur gemaakt, terwijl wij dat zonder aanmaakblokjes en briketten van de suup echt niet konden. Ze leerde ons hoe je met zo’n houtvuur een maaltijd kookt. Ze leerde het ons niet, ze deed het gewoon terwijl wij sprakeloos toekeken. We hebben ook eens een week samen gekampeerd met een grote Nederlandse bungalowtent, en ze had een wc-gat gegraven en een keuken opgezet toen wij de tentstokken nog niet eens in elkaar geschoven hadden. We hadden ook een Europese superbrander bij ons, maar Angela leerde ons hoe je met houtskool en lokale traditionele pannen en potten kookt.

We hebben de jaren daarna onmeunig (dat is Twents) plezier van al die praktische kennis gehad. De superbrander hebben we nooit gebruikt. Wow, wat heeft Angela tijdens onze superfoute politiek-incorrecte koloniale vakanties me veel geleerd. En me een volkomen natuurlijk horizontaal respect gegeven voor andere mensen.

Cynisch bij de Yachtclub in Tanzania

Zoon1 is geboren in 1989 in Wageningen. Zijn vader, mijn Ex, was daar niet bij, want die was net aan zijn eerste baan begonnen bij de FAO in Tanzania, en de FAO vond de geboorte van je eerste kind niet voldoende reden tot verlof. Toen Zoon1 zes weken was, ben ik ook naar Tanzania gegaan. Wat kan een mens toch veel als hijzij dat wil.

Ex ontwierp irrigatieprojecten in de omgeving van het Victoriameer. In het Victoriameer zit zoveel water, daar kun je best wat van gebruiken om landbouwgebieden te irrigeren. Maar het Victoriameer ligt uiteraard uiteraard in het dal, lager dan de landbouwgronden.

Les 1: water stroomt van boven naar beneden. Altijd. Overal.

De meeste projectjes die Ex ontwierp lagen in de omgeving van het meer, maar dan nog moet het water omhoog worden gepompt, ook al is het maar enkele meters. Niet met van die achterlijke touwpompen, zoals wij alternatievelingen uit Wageningen durfden voor te stellen. Men was beledigd en vond ons witte kolonialen die neerkeken op zwart. Het water moest uiteraard met dure moderne dieselpompen omhoog gepompt, net als in Europa en Amerika, ook al wist iedereen in Tanzania dat dit nooit zou werken. Geen geld, geen diesel.

Hier werden we behoorlijk chagrijnig van. En cynisch. Hadden we een plek om onze carriere te beginnen, moest Ex irrigatieprojectjes ontwerpen waarvan we van te voren wisten dat het never nooit iets zou worden.

De vorige president, Nyerere, kwam ook uit dit gebied. Een van de projectjes was DUS in zijn geboortedorp. Weliswaar lag dat hoog in de heuvels, en was het absoluut onmogelijk om daar ooit water vanuit het Victoriameer te krijgen, maar er moest iets geopend worden in zijn dorp. Ex tekende op de kaart prachtige kanaaltjes die steil omhoog liepen, en iedereen op kantoor die wat van water wist, begreep dat dit nooit wat kon worden. Maar dat gaf niet, sterker niemand verwachtte iets anders. Als dat dorp niet zou worden opgenomen in het project, zou de overheid van Tanzania de goedkeuring stopzetten, en kon het project wel sluiten.

O ja, het project werd gefinancierd door Nederland. Tanzania was in de tijd van Nyerere en de jaren vlak daarna troetelkind van Nederland. Er waren meer onzinnige projecten in het gebied. Een slachterij waar nooit een kilo vlees vandaan is gekomen onder andere omdat de haken hingen op dromedarishoogte. Een schoenfabriek daar vlakbij om het leer te verwerken dat niet bij de slachterij werd geproduceerd. En een gigagroot katoenproject wat zo inefficient was opgezet dat de Nederlanders uren konden vertellen over de schandalen daar. En dat ook deden, bij een biertje bij de Yachtclub.

Wie daar werkte als expat werd na een paar maanden vanzelf cynisch. Wij ook en daarom vroegen we overplaatsing aan. En zo kwamen we al na een jaar in Zimbabwe terecht.

Vlak voor ons vertrek raakten we toevallig bevriend met Thijs Goldschmidt, een Nederlandse bioloog die vlakbij ons bleek te wonen. Hij moest niets hebben van die onzinnige projecten, ging nooit naar de Yachtclub, ging niet om met de expats. Terecht, maar ik was nieuw en liet me meevoeren. Hij had de jaren er oor de vissen in het Victoriameer bestudeerd en was een boek aan het schrijven waarmee hij wereldberoemd is geworden, Darwins Hofvijver. Het was zo boeiend om hem daarover te horen vertellen. Ik wou dat we hem eerder hadden ontmoet, dan had ik mijn onzinnige lege uren bij de Yachtclub beter kunnen gebruiken.

Propaganda over de Golfoorlog – Zimbabwe

Tussen Kerst en Oud-en-Nieuw in 1990 verhuisden we van Tanzania naar Zimbabwe. Vlak voor de verhuizing  was de oorlog tussen Irak en Koeweit begonnen. In de Tanzaniaanse krant stond daarover nooit iets vermeld, en TV was er in Tanzania niet. Dus het begin van die Golfoorlog is helemaal aan mij voorbij gegaan.

Dat werd anders in Zimbabwe. Wij hadden daar geen TV, maar die was er wel. We lazen ook geen krant: het lokale nieuws interesseerde ons niet zo. Raar eigenlijk, van integratie was bij mij echt geen sprake. Maar goed, ik wist dat ik er maar een jaar zou blijven.

Ik speelde viool in het National Orchestra of Zimbabwe en heb meerdere concerten gegeven met Robert Mugabe op de eerste rij. Die man hield van klassieke muziek. Na een concert sprak hij geinteresseerd met ons, de musici. Bijzonder hoor!

Goed, die Golfoorlog. Moeder was eind 1990 naar Tanzania gekomen samen met Broer. Het was haar eerste keer in Afrika, en ze heeft genoten. We woonden dan ook prachtig: we haalden haar uiteraard op van het vliegveld. Ze wist niet dat dit een tocht was van drie dagen rijden, en tijdens die tocht reden we langs alle toeristische hoogtepunten en reden we twee dagen door Serengeti.

Dus verwachtten we oma ook in Zimbabwe. Maar ze durfde niet vanwege de Golfoorlog. De wat, ik wist nauwelijks van niets. Maar zij zat weken 24 uur per dag gekluisterd aan de TV. En was bang. En wij woonden daar in Zimbabwe vlakbij toch?

Dus ik ging me eens in die Golfoorlog verdiepen. Zimbabwe stond in die oorlog aan de kant van Irak. Irak had drie argumenten: Kuweit boorde teveel olie op, meer dan was afgesproken tussen de oliestaten  waardoor de prijs kelderde en Irak veel inkomsten misliep. Kuweit boorde in het grensgebied schuin naar olie onder Irak. En Irak wilde dat Kuweit de leningen kwijtschold die Irak had gekregen voor de Iran-Irak oorlog. Dat derde vind ik een rare reden om ruzie te maken, maar in die eerste twee dingen kon ik me wel inleven. Hoewel ik nooit never een reden voldoende vind om  een oorlog te beginnen.

Ik ging de krant bijhouden. Waarom steunde Mugabe de Axis of Devil? In de krant stond eind januari 1990, de eerste bombardementen door de VS waren net geweest, een raar artikel. Een vrouw uit Kuweit had verklaard voor het Amerikaanse Congres dat de Irakis couveusekinderen op de grond gooiden en lieten sterven op de koude vloer. Het verhaal was natuurlijk schokkend, en ze stond te huilen voor het Congres.  Het Congres van de VS stemde die dag in met de oorlog met een paar stemmen verschil. De details herinner ik me niet, maar ik herinner me wel dat de krant in Zimbabwe verontwaardigd was over dit toneelstukje. Dit was namelijk helemaal geen vrouw uit Kuweit, woonde niet in Kuweit en wist van niets. Volgens de Zimbabweaanse krant was het een actrice en pure propaganda van President Bush.

Nogmaals, de details herinner ik me niet. Was het het Congres of de Senaat en wist ik toen het verschil daartussen? Het staat ook op Wikipedia: het was inderdaad een actrice, de dochter van een Saoedische Koning, die getrouwd was met de ambassadeur van Saoedi Arabie in de VS.

Nederland deed mee aan de invallende kant. Die heetten de Geallieerden, wat gewoon samenwerkende landen betekent maar wel heel slim assiciaties oproept met de Geallieerden uit de Tweede Wereldoorlog, dus met de Goede Kant. De andere kant noemde Bush de Axis of Devil. Net als de Asmogendheden Duitsland en Italie in de Tweede Wereldoorlog.

Bij mijn volgende bezoek aan Nederland, enkele maanden later, merkte ik het verschil in berichtgeving in de pers. in Nederland werd net zo partijdig bericht over deze oorlog als aan de Zimbabweaanse kant, maar de pers zelf was overtuigd dat ze objectief waren. Terwijl de pers in Zimbabwe heel goed weet dat ze politiek correct moeten zijn.

Ik ben geen journalist en ik vertrouw er best op dat journalisten oprecht bezig zijn. Maar het nieuws over de Golfoorlog was van het begin tot einde propaganda. Pas jaren later na afloop ervan kwam dit besef mondjesmaat door. Bijvoorbeeld toen het ging over de zogenaamde massavernietigingswapens die Saddam Hussein zou hebben maar niet had. Toen woonde ik in Nederland en geloofde die propaganda niet en met mij vele anderen. Maar het was wel weer het argument om een oorlog te beginnen.

Beide oorlogen gingen over olie. De olie waar het Westen verslaafd aan is en die uit het Midden Oosten komt.  De olie die wij zo goedkoop mogelijk willen hebben. Kuweit is nou eenmaal voor de VS een volgzamere handelspartner dan Irak. Dus vonden de VS het heel fijn dat Kuweit meer olie opboorde dan internationaal was afgesproken, en dat ze olie opboorden van onder Iraaks grondgebied.

Sindsdien ben ik sceptisch over elke  Volledig Terechte Amerikaanse Inmenging ten behoeve van het Herstel van de Democratie. Was ik al sinds de Vietnamoorlog, maar deze golfoorlog waarbij ik zelf de berichtgeving volgde van de andere kant, heeft alle twijfel weggenomen. Daarom draag ik als ik het niet vergeet een Gebroken Geweertje.